Eenrichtingsverkeer

Het is al laat als ze eindelijk durft.
En nog twijfelt ze.
Wat, denkt ze, als hij slaapt?
Dronken is?
Stoned?
Of simpelweg geen zin in haar heeft?
Dan …
…dan antwoordt hij niet.
En wacht zij voor niets en dat na al die uren dat ze moed heeft moeten verzamelen, dat zou oneerlijk zijn.
Tranen prikken; voordat de tegenvaller daar is voelt ze het verdriet.
Was hij maar te vertrouwen, zou hij háár maar bellen en niet zijn vrienden.
Weet je, verzekert ze zichzelf, als ik van hem op aankon, had onze relatie toekomst.
Ik zou zo graag, wat zou ik graag met hem samenwonen, kan niet schelen waar.
Ze droomt.
Komt weer terug
En stuurt:
‘Houd je nog wel van me?’

Advertenties

Papier hier

Bergen werk heb ik verzet vanmiddag. Letterlijk.
Wat dan wel?
Ik heb de papieren uitgezocht en deze keer tot de laatste snipper in plaats van een paar briefjes heen en weer te schuiven. Een klusje dat zo vaak wordt uitgesteld dat het na een jaar (of 2 of 3) een groot karwei is.
Mijn eigen woorden indachtig -zadel je nabestaanden niet met rommel op- ben ik er aan begonnen.
Dat had heel wat voeten in aarde.
Eerst een wasje draaien. Boodschap doen. Paar meters wieden. Koken en opeten. Kop koffie maken.
Uitstelgedrag, koudwatervrees.
Ik zag er tegenop. Onbegrijpelijk, voor mijn trouwen was ik juist in mijn element als ik met papier kon spelen, op een kantoor waar ik werkte deed ik niets liever dan sorteren, zoeken en navragen waar een bepaalde brief was, systeem aanbrengen in onderwerpen.
Uiteindelijk ben ik begonnen en was na een kwartiertje weer terug in dat element.
Het waren echt torenhoge bergen, oude nota’s van jaren her, verlopen paspoorten en rijbewijzen (nostalgie), oude bankafschriften, papieren van overleden ouders, broer, dikke stapels schoolrapporten, opgezegde en herbegonnen loterijen, dito van extra tvzenders, herziene verzekeringen die je steevast in triplo bevestigd krijgt, ziekteperikelen van wijlen echtgenoot, en nog veel meer.
Echt, het opnoemen doet me al naar lucht happen.
Het ging vlot, tegen de avond was het klaar en de prullenbakken gevuld.
Brieven en rekeningen genummerd, op datum gelegd, een lust voor het oog. Ik durf haast te zeggen: nu kan ik het loodje  leggen.
Tevreden kijk ik naar de mappen, half zo dun en dubbel charmant.
Te mooi om weg te bergen dus laat ik de kast een tijdje openstaan.

Natuurelementen

Aarde lucht vuur water,
we leerden ze op school.

Ik weet niet welke het meest ongrijpbaar is.
Water, kijk een poosje naar de zee. Hoe de golven aan komen rollen, zich verheffen voor ze overkrullen, en weer, almaar komen er nieuwe. Gefascineerd kijkend wordt je rustig.
Of naar vuur. Vreemde vormen vlammen op, soms angstig groot en heet,  tegelijkertijd kalmerend door hun warmte waardoor het sympathiek aanvoelt.
Lucht is minder attractief, toch is ook dit element  bijzonder. Je kunt het voelen, ruiken en als het afwezig is ga je dood, dat is nogal wat.
Aarde maakt op het oog minder los maar kijk naar velden met gewassen. Groots. Net als onbegroeide bergen het zijn en woestijnen, daarin rondreizend zie je aarde als indrukwekkend. Woeste gronden, rampen, dit element dwingt het meeste ontzag af.

In diverse richtingen worden de vier als voorbeeld gebruikt, van astrologie tot psychologie en religie trekt men vergelijkingen en duidt men invloeden.
Dat is aan mij niet besteed maar wie er over wil lezen vind hiereen paar voorbeelden

https://fascinerend.nl/ayurveda/de-vijf-basis-elementen/  
https://nl.wikipedia.org/wiki/Vier_Elementen_(boeddhisme)
https://www.desteven.nl/persoonlijke-ontwikkeling/eigenschappenanalyse-karakte
http://www.mirrar.me/elementen.php


Geen gezicht

Het was mooi weer.
De zon noodde tot wandelen in een luchtig jack en dat trok ik dan ook aan.
Na vijftig meter zeilden enkele wolken over, precies boven mijn hoofd. Ze bleven hangen voor de zon zodat ik het koud kreeg.
Bibberend liep ik de bibliotheek binnen, kwam mezelf tegen in de liftspiegel en schrok.
Éven dacht ik dat er iemand achter me stond, draaide me om maar nee.
Het was mijn eigen kouwelijke gezicht, lijkwit met roze oogleden. Haren piekten.
Mijn god, ga ik er op mijn oude dag uitzien als een ziek konijn?
Haastig deed ik de kraag omhoog, trok plukken haar naar voren. Ik bleef zichtbaar.
Dan maar met geheven hoofd.
In de boekenafdeling waren een paar mensen, ook aan de leestafel, bij de koffie en kranten, een paar bekenden zag ik.
Niemand merkte me op.
Ik begrijp het.
Ze zijn gewend aan zieke konijnen.

Ontzielde wereld…

.. is de titel van een boek dat Franklin Foer schreef.
Hij vindt dat we ons moeten weren tegen GAFA, afkorting van Google, Amazon, Facebook en Apple.
Hij staat niet alleen in die opvatting, ik ken verschillende mensen die huiverig zijn voor niet alleen het prijsgeven van hun identiteit, ook voor een wereld die gedebiliseerd wordt, een eenheidsworst is. Sommigen van hen voelen een groot wantrouwen, ze zeggen dat Silicon Valley één groot afluisterapparaat is.
Of het echt zo erg is kan ik niet beoordelen al zie ik wel het onbehoorlijke gemak waarmee Google je je privégegevens ontfutselt.
Foer schreef er een boek over, in de Volkskrant lees je meer. Je wordt er bijna bang van.
De volkskrant, Franklin Foer

‘U mag…’

Op een feestelijke bijeenkomst werden we ontvangen door een mevrouw.
-Goedemiddag, zei ze, daar links mag U Uw jas ophangen.-  Ze wees nog eens extra naar de kapstokken die luid en duidelijk in het zicht stonden.
-Dank u, zei vriendin. Ik gaf geen antwoord.
Het is misschien kinderachtig, ik kan niet goed tegen dat ‘mogen’. We hoorden het te vaak.
In ziekenhuizen waar een paar assistentes dezelfde taal bezigden.
-U mag op deze stoel zitten
-U mag hier wachten, de dokter komt zo
-Nu mag U Uw mouw opstropen, dan zal ik de bloeddruk opmeten
-Aan deze haken mag U Uw kleding ophangen.
Ze lijken te denken dat het welgemanierd is, weten niet dat de vorm ‘U kunt’ volwassener is.
In het begin lachten we erom, we wisten dat ze het goed bedoelden.  Op de duur echter werd het echtgenoot te gortig en antwoordde dat hij niet dement was waarop de verpleegkundige hem verbaasd aankeek.
‘Het is dat gebruik van ‘U mag’,’ verduidelijkte ik. ‘Weet U wel hoe dat klinkt?’
Dat wist ze niet, ze zei het uit beleefdheid.  Tja.
‘Beleefd? Patiënten als kleuters aanspreken?’ sneerde man. Hij voelde het als kleinerend.
Het hielp. Bij haar tenminste.
Eens bracht een assistente ons naar een rij wachtenden en, jawel, ‘U mag hier even zitten…’ Prompt kwam man’s antwoord: ‘Mag ik dat ècht?? Dank U wel hoor.’
Er werd gelachen en herkennend geknikt, we merkten dat meer mensen zich er aan stoorden. Ze reageerden er nooit op,  ‘het is de moeite niet waard’ en misschien hadden ze gelijk..
Toch vertelde een van hen dat hij zich ‘altied opvrat’ en zei het mooi, op zijn Brabants:
‘De dokters doen da nie, het zien die verrekte frollie.’

ps  of ‘vrollie’.

Opschepperij

‘Doe de bessensap, suiker en eiwitten in een kom en klop alles stijf; dien de Haagse bluf direct op.’
Eenvoudig en snel.
Het was te vroeg, de kom ging in de koelkast, afgedekt met een theedoek.
Na een kwartiertje controleerde ik of het gerecht niet inzakte.
Integendeel, de bluf was gerezen tot een berg, de theedoek hing geplet tussen de berg en het bovenliggende rek. Verbluft zette ik de kom op de aanrecht en bekeek het spul. Het trilde en groeide zichtbaar. Het zag er raar uit, enfin, ik schraapte alles in een grotere kom.
Het bleef rijzen.
Het werd te groot, paniekerig propte ik de bibberende boel in een vuilniszak en zette hem buiten neer. Dan maar geen dessert.

Het werd donker, vreemd, zo vroeg al?  Ik keek naar buiten en geschrokken zag ik de ramen bedekt met een rose-witte wolk. Het gaf geluid.
Bewegend, pulserend met een grommend slagwerk, laag, diep, als van een kwaadaardig hart.
Angstig liep ik naar de andere ramen en ja, ook daar rukte de massa schuimend op.
Ik werd ontzettend bang maar durfde niets te doen, vreesde de vreemde schemer.
Midden in het huis staand keek ik rond, er moest iets gebeuren. Ik kon me niet bewegen, mijn god, zag niemand dat er wat mis was, waren alle buren soms doof? Ik riep nieuwe goden aan en bad al hun gebeden
De bluf was inmiddels zilverig en kreeg een vreemde kleur, het leek een buitenaardse dimensie en het aanvankelijke gebrom ging langzaam over in een scheller geluid, nog steeds regelmatig maar luider, het ging gestadig door en ik bestierf het tot ik plots, razend van angst, de deur open gooide teneinde een halt toe te schreeuwen aan… wat? wie?
Stilte, er bewoog niets.
De vuilniszak stond stilletjes op de stoep.
Het was bluf.